|
De wortels van de son cubano
door Erik Jan Hertogs, gitarist Son Asi
Afrika
De son ontstond weliswaar op Cuba, maar heeft haar wortels in West-Afrika en Spanje. De slaven, die, toen zij op Cuba aankwamen, van alles beroofd waren, maakten de percussieinstrumenten zoals zij die zich herinnerden. Zij begonnen weer de ritmes te spelen om de goden uit hun Yoruba-religie te aanbidden. Wel waren zij gedwongen hun goden katholieke namen te geven, omdat alleen de christelijke religie toegestaan was. Het ritme van de son, de percussieinstrumenten en de manier van zingen (meerstemmig koor afgewis-seld met solozang) zijn rechtstreeks terug te voeren op muzikale tradities van West-Afrika.
Spanje
De Spaanse emigranten - vooral arme landarbeiders uit Andalusië - die op Cuba een nieuw leven begonnen, introduceerden de gitaar en het zingen van liederen. De Canarische eilanden waren de laatste pleisterplaats voor de grote oversteek. Daarom zijn veel liedjes van Gran Canaria en Tenerife mee de oceaan overgestoken.
Van trio naar septeto
Rond 1900 smolten die twee muzikale stromingen samen tot de son (‘geluid’). In eerste instantie werd de son gespeeld door trios in het Oosten van Cuba. Het Trío Matamoros werd verreweg het meest beroemd. Omdat het ritme ook heerlijk was om op te dansen ging het volume ophoog door steeds nieuwe instrumenten aan het oorsponkelijke trio toegevoegen. In de jaren dertig en veertig kreeg de son haar karakteristieke bezetting van sexteto (zanger, tweede zanger, gitaar, tres-gitaar, bas, percussionist) en septeto (met een trompetist erbij). Grote vernieuwer uit die tijd was de blinde tres-gitaar speler en componist Arsenio Rodrigüez. Veel van zijn 700 composities worden tot op de dag van vandaag gespeeld.
trommels en TROMMELS
Een son-percussionist speelt op bongó (twee kleine trommels) of op conga (groot) of op allebei. De bongó wordt met de vingertoppen bespeeld en laat een helder, steeds variërend klaterende geluid door de muziek heen gaan. De conga wordt met de hele hand bespeeld en is dwingender en opzwepender. Verder heeft een percussionist altijd een koebel om accenten te geven en de spanning op te voeren. De percussionist zorgt ervoor dat de vele overgangen binnen een son-liedje aangekondigd worden en dat nieuwe ritmes en spannende breaks goed ingezet worden.
Kleine percussie
Er zijn ook kleine percussieinstrumenten die in de hand gehouden worden. De maracas (oneerbiedig: ‘sambaballen’) geven, als ze goed gespeeld worden, een prachtig warm, maar puntig geluid. De guïro (een buis van metaal met ribbels) en de guïra (een kalebas met groeven) wordt geschraapt en geven een harder, percussiever geluid. Zowel maracas als guïro en guïra vullen het geluid en maken de muziek swingend. Een ander instrument dat in de hand gehouden wordt is de clave: twee stokjes waarop het basis ritme van de son geslagen wordt (1-2, 1-2-3). Dit ritme zit zo diep in het bloed van de Cubanen dat auto’s zelfs ‘in clave’ toeteren.
Gitaar en tres-gitaar
Een sonliedje begint gewoonlijk eerst met een gedeelte van relatief rustige solo-zang van enkele coupletten. Daarna volgt een sneller gedeelte waarin afwisselend zangers een meerstemmig ‘coro’ zingen en de solo-zanger een korte improvisatie (‘pregón’ = antwoord) zingt. Dit coro-pregón deel kan minutenlang duren, afhankelijk van de reactie van de dansers en het improvisatievermogen van de zanger. Voor een Cubaan is het verschil tussen een goede zanger en een uitstekende zanger de mate waarin hij of zij overtuigend kan pregoneren. Want het is juist in dit deel van de muziek dat alle remmen los gaan en de dansvloer verandert in een kolkende zee.
‘Amor’
Waar gaan Cubaanse liedjes over? Het voor de hand liggende antwoord is natuurlijk ‘amor’ en dan wel in het bijzonder de bedrogen of vervlogen liefde (vooral in de bolero-son). In de eerste coupletten wordt de liefdesellende beschreven en in het coro-pregón gedeelte ‘verwerkt’ zanger het verdriet. De coros geven dan het advies om bijvoorbeeld om de geliefde te vergeten of om maar liever te feesten dan te treuren. Er wordt wel gezegd dat deze liefdesliedjes de Cubanen heel wat kosten voor een therapeut hebben bespaard...
Natuur en eten
De son is van oorsprong plattelandsmuziek. Daarom bezingen ook veel liedjes de schoonheid van de natuur (in de guajira). Verder gaan veel liedjes over het eten dat op straat verkocht wordt. Zo is de pregón-son gebaseerd op de roep van de straatverkopers. Een beroemd voorbeeld hiervan is de uithaal ‘manííí’ in het liedje El manicero (de pindaverkoper). En ten slotte zijn veel liedjes alleen maar grappig en vooral ook dubbelzinnig (vooral in de guaracha).
Son en salsa
Als je op Cuba vraagt wat het verschil is tussen son en salsa zullen ze je zeggen dat salsa geen muziek maar ‘saus’ is, dat de muziek die salsa genoemd wordt niets anders is dan de Cubaanse son en dat de muzikanten die naar New York en Miami gingen om commerciële redenen voor het etiket ‘salsa’ gekozen hebben. Toch is het wel goed om verschillende termen te hebben voor de muziek van, zeg, de Buena Vista Social Club (en Son Así) en, zeg, de Fania All Stars. Kort door de bocht zou je kunnen stellen dat een son band akoestische gitaren heeft en salsaband geen gitaren, maar een keyboard plus blazerssectie; dat son intiemer is en salsa heftiger; en dat de son dichter bij het platteland is gebleven en salsa verhuisd is naar de grote stad.
De bas werd vroeger gespeeld op een houten kist met metalen strippen, maar daarmee kon men maar in één toonsoort kon spelen. Met de opkomst van de jazz werd overgegaan op de contrabas. Maar ook dat gaf problemen, want de eerste son bands reisden veel - per ezel - naar dorpjes op het platteland. Tegenwoordig speelt men vaak op een staande elektrische bas (baby-bass). De bas vormt de verbinding tussen de percussie- en de harmonieinstrumenten. Van alle instrumenten geeft de bas met zijn karakteristieke patroon de dansers de meeste houvast.
Opbouw van een liedje Er is genoeg muziek op Cuba die met alleen percussieinstrumenten gemaakt wordt (Afro-Cubaanse muziek). Maar in de son spelen altijd ook harmonie en melodieinstrumenten. Die zorgen ervoor dat de son zo warm en melodieus klinkt. De gewone, Spaanse gitaar speelt akkoorden terwijl de typisch Cubaanse tres-gitaar (een gitaar met dubbele, geoktaveerde snaren) daar hypnotiserende loopjes door heen weeft en virtuose solo’s ten beste geeft. Soms wordt een trompet toegevoegd (in de septeto bezetting). Het akoustische effect verdwijnt dan, omdat de andere instrumenten flink versterkt moeten worden om boven de trompet uit te komen.
|